Bepaling van de werkgelegenheid

De werkgelegenheid voor leraren in het startjaar ontlenen we aan de formatiegegevens in het startjaar. Daarbij wordt het gebruik van de seniorenregeling meegeteld. Voor de werkgelegenheid voor daadwerkelijk gegeven lessen wordt gekeken naar het aantal fte exclusief het gebruik van de seniorenregeling. Het verband tussen aantallen leerlingen en aantallen fte exclusief de seniorenregeling is geschat op historische formatiegegevens. Er is ook een constante term opgenomen, indien significant. In het bao is daarnaast ook rekening gehouden met extra vaste voeten in de bekostiging voor (zeer) kleine scholen, wat leidt tot een kleine toename van de werkgelegenheid bij (zeer) kleine scholen tov een situatie zonder deze correctie. In de praktijk is de leerling-leraarratio veruit de meest dominante factor in deze verbanden.

De verbanden worden gebruikt om de werkgelegenheid voor leraren (exclusief de seniorenregeling) in latere jaren te voorspellen. Daarbij wordt rekening gehouden met de schoolspecifieke leerling-leraarratio: indien een school in de formatiegegevens 10% meer leraren in dienst heeft dan het verband voorspelt, dan wordt aangenomen dat deze 10% extra werkgelegenheid ook in latere jaren aanwezig blijft.

Voor andere functies dan leraren wordt de schoolspecifieke ratio constant gehouden om een prognose te maken voor de vraag.

Met betrekking tot vakken in het vo wordt verondersteld dat de verdeling over vakken op schoolniveau in de toekomst gelijk blijft. Alle vakken groeien of krimpen op een school dus in gelijke mate. Omdat verschillende scholen een andere groei kennen, betekent dit dat de landelijke verhouding tussen de vakken per jaar kan verschillen.