Documentatie Mirror

Mirrorpedia is de online documentatie van het Mirror model. Mirror is een microsimulatiemodel voor de arbeidsmarkt van het primair (po), voortgezet (vo) en middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (mbo) in Nederland en simuleert bijvoorbeeld stromen (zoals uit- en instroom), maar ook de inschaling en loonkosten van personen. Mirror is ontwikkeld door CentERdata voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Op deze website kunt u alles lezen over het model waarmee de arbeidsmarktramingen voor het onderwijs in Nederland tot stand komen.

Een overzicht van openbare publicaties die met behulp van Mirror tot stand zijn gekomen, is te vinden op de pagina Publicaties en een overzicht van de meest relevante ontwikkelingen in Mirror is beschikbaar op de pagina Historie.

Algemene beschrijving

Het Mirror prognosemodel gaat ervan uit dat (toekomstig) arbeidsmarktgedrag van onderwijspersoneel te voorspellen is. Uiteraard is een voorspelling voor individuele gevallen moeilijk te maken. De keuzes die iemand gemaakt heeft of die te verwachten zijn, zijn immers sterk afhankelijk van individuele voorkeuren en de (toevallige) omstandigheden waarin die persoon verkeert of komt te verkeren. Maar in algemene zin zijn op het niveau van onderwijspersoneel als werknemerspopulatie wel voorspellingen mogelijk.

Dergelijke voorspellingen worden gebaseerd op ervaringsgegevens uit het verleden. Een voorbeeld: stel dat in de afgelopen tien jaar elk jaar gemiddeld één op de tien leraren het onderwijs heeft verlaten om elders te gaan werken. Dan kunnen we met enige mate van waarschijnlijkheid veronderstellen dat de kans dat een leraar de komende jaren het onderwijs verlaat om elders te gaan werken ongeveer 10 procent is. De daadwerkelijke uitstroomkans wordt uiteraard beïnvloed door een complex aan factoren. Met een groot aantal van die factoren houden we in het model rekening. Dat zijn bijvoorbeeld geslacht, leeftijd, inkomen en de stand van de conjunctuur. Zo is bijvoorbeeld de kans dat een 63 jarige leraar het onderwijs verlaat aanzienlijk groter dan dat een 40 jarige leraar het onderwijs verlaat.

Belangrijke modelvariabelen

In het Mirror prognosemodel draait het uiteindelijk om een aantal belangrijke variabelen die de balans tussen werkgelegenheid voor onderwijspersoneel en aanbod daarvan definiëren. Deze worden hieronder besproken. Op de onderliggende pagina's wordt dieper ingegaan op de achtergrond van deze variabelen.

  1. Werkgelegenheid: dit geeft de mate van vraag naar onderwijspersoneel aan. De werkgelegenheid wordt vooral bepaald door het aantal leerlingen.
  2. Uitbreidingsvraag: de verandering in werkgelegenheid van het ene naar het volgende jaar. Deze kan positief (groei) of negatief (krimp) zijn.
  3. Vervangingsvraag: dit is werkgelegenheid die opgevuld moet worden als gevolg van vrijgekomen banen door arbeidsmarktstromen bij het zittend personeel. Deze wordt bepaald door de optelling van uitstroom, saldo van arbeidsduurwijziging (meer of minder gaan werken), saldo van functiewijziging en saldo van de wijziging in het gebruik van de seniorenregeling.
    Omdat de uitstroom de overhand heeft in de vervangingsvraag is deze in de praktijk altijd positief. Merk op dat we in drie gevallen saldi van stromen opnemen. Deze stromen bevatten positieve en negatieve componenten. De ene persoon kan bijvoorbeeld meer gaan werken (met dus een negatieve bijdrage aan de vervangingsvraag) en de andere minder (met dus een positieve bijdrage aan de vervangingsvraag). In de vervangingsvraag is de optelling van al die wijzigingen opgenomen.
  4. Instroom: het aanbod van onderwijspersoneel is afkomstig van diverse bronnen:
    • Lerarenopleiding: het opleiden van jongeren tot leraar is traditioneel de belangrijkste bron om te voorzien in de behoefte aan leraren.
    • Stille reserve: deze groep bestaat voor het po en het vo uit personen met een onderwijsbevoegdheid die buiten het onderwijs werkzaam zijn of zich hebben teruggetrokken van de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld in verband met zorgtaken).
    • Zij-instroom: mensen met een afgeronde hbo-/wo-opleiding die leraar of directeur kunnen worden via een andere route. Zij-instromers moeten uiteindelijk ook aan alle bevoegdheidseisen voldoen.
  5. Onvervulde vraag: de onvervulde werkgelegenheid die resteert na instroom.

In de onderstaande figuur wordt de relatie tussen deze variabelen geïllustreerd. Waar het gaat om standgegevens (zoals bijvoorbeeld de werkgelegenheid) gaat het in Mirror steeds om de stand op 1 oktober van het betreffende jaar. Waar het gaat om stromen, gaat het steeds om het verschil dat kan worden afgeleid uit twee opeenvolgende standgegevens op 1 oktober.

De werkgelegenheid in jaar $t$ (bijvoorbeeld 2020) is voor zover mogelijk ingevuld met onderwijspersoneel, waar dat niet kan spreken we van onvervulde vraag. De werkgelegenheid voor jaar $t+1$ (bijvoorbeeld 2021) kan hoger of lager dan in jaar $t$ liggen, afhankelijk van het verwachte aantal leerlingen. Dit is de uitbreidingsvraag. Van het onderwijspersoneel dat in jaar $t$ op de scholen werken stroomt een deel uit naar pensioen of een andere baan of gaat meer of minder uren werken. Dit maakt onderdeel uit van de zogeheten vervangingsvraag. De som van de verandering in werkgelegenheid, de in jaar $t$ al openstaande onvervulde vraag en de vervangingsvraag proberen de scholen in te vullen. Dit leidt tot instroom. Waar dat niet lukt hebben we wederom onvervulde vraag.

De specifieke situatie voor zoals die in de figuur is weergegeven kenmerkt zich door een afnemende werkgelegenheid (krimp). Er is wel sprake van vervangingsvraag, bijvoorbeeld door uitstroom. Zoals geschetst in de figuur is de instroom kleiner dan de vervangingsvraag. Zo kan het gebeuren dat er in jaar $t+1$ toch onvervulde vraag overblijft, ondanks de krimp. Uiteraard is deze situatie slechts een voorbeeld om de verhoudingen tussen de variabelen te demonstreren. Het is uiteraard ook mogelijk dat er uitbreiding van werkgelegenheid is, of dat de instroom groter is dan de vervangingsvraag, et cetera.

Kanttekeningen

We willen hier een aantal kanttekeningen maken waarvan men zich bewust dient te zijn bij de interpretatie van de met Mirror voorspelde cijfers:

  • Mirror geeft een kwantitatief beeld van de ontwikkelingen op de onderwijsmarkt voor het po, vo en mbo. De kwalitatieve invulling komt niet aan bod. Een voorbeeld daarvan is dat scholen zijn gedwongen om maatregelen te nemen om de gevolgen van tekorten te beperken. Daardoor kan het voorkomen dat een deel van de lessen door onbevoegde docenten wordt gegeven, er meer onderwijs-ondersteunend personeel wordt ingezet en het minimaal vereiste aantal lesuren niet altijd wordt gehaald. Dit betekent dat er sprake kan zijn van een tekort aan voldoende gekwalificeerde leraren, hoewel er wellicht een beperkte onvervulde vraag voorspeld wordt.
  • Mede door getroffen beleidsmaatregelen hebben eerdere ramingen in het verleden waarin tekorten werden voorspeld zichzelf als het ware kunnen vernietigen. Daarbij valt te denken aan het Actieplan Leerkracht, het feit dat de uitstroomleeftijd steeds hoger is geworden de laatste jaren ten gevolge van versoberde (pre)pensioenregelingen en de na 2008 waargenomen stijging van het gemiddeld aantal leerlingen per fte (de leerling-fteratio) zijn ook belangrijke factoren. Dergelijke zaken betekenen echter niet dat voorspelde tekorten gewoon genegeerd kunnen worden.
  • Naarmate verder in de toekomst gekeken wordt, zijn de prognoses met steeds grotere onzekerheden omgeven. Er is sprake van vele onbekende externe factoren die van invloed zijn op de onderwijsarbeidsmarkt en het gedrag van onderwijspersoneel. Genoemd is al de ontwikkeling van het aantal leerlingen per fte. Ook de ontwikkeling van de aantallen afstudeerders van de lerarenopleidingen en de ontwikkeling van de conjunctuur willen we in dit verband melden.

Databronnen

Aan de basis van de ramingen in Mirror ligt een grote hoeveelheid informatie. Dit betreft zowel bestanden waarmee de stromen op de onderwijsarbeidsmarkt in het recente verleden in kaart kunnen worden gebracht (het formatiebestand en het schoolleerlingenbestand), als achtergrondgegevens betreffende de bevolking, aantallen afgestudeerden, conjunctuur en werkloosheid. Van de genoemde achtergrondgegevens zijn naast de ontwikkelingen in het verleden ook de ramingen voor de toekomst van cruciaal belang voor de totstandkoming van de Mirror prognoses.

Kwaliteitscontrole

Voorafgaand aan – en ten dele simultaan met – het eigenlijke proces van databewerking en het aanmaken van stroomvariabelen vindt een datacontrole plaats. Daarin wordt bijvoorbeeld gekeken naar de omvang van de formatie en de totale leerlingenaantallen en wordt ook de plausibiliteit van de (ontwikkeling van de) leerling-fteratio beoordeeld. Op grond hiervan worden de data geaccepteerd. Soms worden instellingen buiten de analyses gehouden, bijvoorbeeld als het personeelsbestand van twee opeenvolgende jaren niet koppelbaar blijkt te zijn. Ook worden in een aantal gevallen niet-plausibele (bijvoorbeeld tijdelijke) functieveranderingen gecorrigeerd, mede op basis van de waargenomen salarisontwikkeling.

Formatiebestand

Het formatiebestand dat opgeleverd wordt door DUO bevat in principe informatie over alle taken in het onderwijs. Een taak is een aanstelling van een persoon op een school. Een persoon kan meerdere taken hebben, op verschillende scholen. Eventueel verschillende taken van één persoon binnen dezelfde school worden door DUO samengevat in een enkele taak.

De gegevens zijn geanonimiseerd. Het betreft hier informatie vanaf 1994 die grotendeels afkomstig is uit de salarisadministraties. Per taak zijn onder meer peiljaar, brin, bestuursnummer, sector, onderwijstype, salarisadministrateur, geboortedatum, geslacht, functiegroep, brutosalaris, salarisschaal, periodiek, taakomvang en omvang van de deelname aan de seniorenregeling opgenomen. De financiële informatie betreft alleen de periode vanaf 2002. Door middel van een identificatienummer is de informatie betreffende een taak koppelbaar over de jaren.

Voor Mirror wordt in het formatiebestand een selectie gemaakt van taken verricht door regulier personeel op instellingen (brins) met leerlingen. Niet-regulier personeel en instellingen zonder leerlingen blijven dus buiten beschouwing.

Schoolleerl. bestand

Het schoolleerlingenbestand is afkomstig van DUO en bevat informatie over de scholen in po, vo en mbo waarop de Mirrorramingen betrekking hebben. Het gaat daarbij om leerlingenaantallen, onderverdeeld naar relevante categorieën (bv. gewichtenleerlingen in het basisonderwijs of bol/bbl in het mbo). Daarnaast is in het bijzonder is de volgende informatie per brin relevant: denominatie, schooltype, locatie (postcodenummer) en gemeentenummer.

Leerlingenprognoses

Voor de leerlingenprognoses wordt voor het po en vo gebruik gemaakt van de prognoses van DUO op instellingsniveau. Voor het mbo wordt gebruik gemaakt van de meest recente PRIMOS bevolkingsprognose om tot leerlingenprognoses te komen.

IPTO

IPTO (Integrale PersoneelsTellingen Onderwijs) geeft informatie over de door docenten gegeven vakken in het vo. Deze informatie omvat de vakken die een leraar geeft (naar graadsector), het aantal lesuren per gegeven vak en de bevoegdheid die men heeft voor de gegeven vakken. Het is een integrale telling van de lessen gegeven in een week in oktober van het betreffende jaar. De gegevens zijn koppelbaar aan het takenbestand in Mirror. In de recente jaren blijkt ongeveer 10% van de taken in Mirror niet koppelbaar aan het IPTO-bestand door onder meer het ontbreken van een geschikte koppelvariabele.

In IPTO worden meer dan 100 vakken onderscheiden. Voor gebruik in Mirror worden deze geaggregeerd tot 20 vakken. De vakken in IPTO verschillen van jaar op jaar licht. De voor een raming gebruikte aggregatie van IPTO vakken naar Mirror vakken wordt opgenomen in de rapporten over de ramingen.

Diploma's lerarenopleidingen

DUO publiceert jaarlijks informatie over de aantallen afgestudeerden naar vak. Het betreft zowel de hbo-lerarenopleidingen als de universitaire lerarenopleidingen. Deze bestanden bevatten per jaar onder meer de volgende informatie:

  • Naam opleiding, bijvoorbeeld: Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in aardrijkskunde, Bachelor Opleiding tot leraar Basisonderwijs, et cetera.
  • Opleidingsfase: bachelor of master.

Ten behoeve van Mirror worden de vakken geaggregeerd naar 20 hoofdvakken en twee graden. De bacheloropleidingen leiden in de meeste gevallen op tot een tweedegraads bevoegdheid en de masteropleidingen tot een eerstegraads bevoegdheid. De informatie wordt in Mirror gebruikt om het aanbod van leraren naar vak te voorspellen.

Verzuim

De data met betrekking tot verzuim in fte zijn afkomstig van DUO. Deze data bevatten verzuimcijfersover ziekteverzuim en overig verzuim. Voor de arbeidsmarktramingen met Mirror wordt het verzuim omgezet in percentages van het gewerkte aantal fte, uitgesplitst naar schooltype, leeftijdscategorie, geslacht en functie.

Financiële gegevens

Voor het berekenen van loonkosten is een aantal gegevens nodig. Allereerst zijn de schaalbedragen nodig om tot bruto loonkosten te komen. Om de totale loonkosten inclusief werkgeverslasten te komen, is een groot aantal parameters nodig, zoals premiepercentages, uitlooptoeslagen, eenmalige uitkeringen, korting in verband met de seniorenregeling, et cetera. De meeste gegevens zijn afkomstig uit de sectorspecifieke CAO's. Premiepercentages van de pensioenregeling zijn afkomstig van het ABP. Premiepercentages van de verschillende volksverzekeringen zijn afkomstig van de belastingdienst. De berekeningen worden toegelicht op de pagina's over de loonkosten.

Afgeleide data

Onder afgeleide data verstaan we gegevens die zijn bewerkt of verwerkt tot bestanden die bruikbaar zijn voor Mirror. Het kan bijvoorbeeld gaan om een bundeling van losse gegevens tot een enkel bestand of het opschonen van aangeleverde gegevens. Zie voor meer details de onderliggende items.

Stromen

Door het formatiebestand op peildatum 1 oktober van het jaar $t$ op taakniveau te koppelen aan het formatiebestand in het jaar $t-1$ bepalen we de stromen. We onderscheiden de volgende stromen, waarbij sectoren afzonderlijk worden beschouwd:

  • Instroom: de persoon is in de sector aanwezig in het formatiebestand van jaar $t$, maar niet in het formatiebestand van jaar $t-1$;
  • Uitstroom: de persoon is in de sector aanwezig in het formatiebestand van jaar $t-1$, maar niet in het formatiebestand van jaar $t$. Dit betekent dat een persoon al zijn/haar taken verliest;
  • Taakverandering zonder taakverlies (taakvergroting of taakverkleining): de bestaande taak verandert van omvang van jaar $t-1$ op $t$ maar blijft op dezelfde school;
  • Taakverlies: dit betreft diverse varianten waarbij de persoon in ieder geval van school verandert, maar mogelijk ook van functie verandert en/of van taakomvang verandert. De persoon blijft dus in tegenstelling tot uitstroom wel in de sector werken;
  • Functieverandering: de taak verandert van functie op dezelfde school.

Alle mogelijke varianten van deze stromen worden apart bepaald en dienen als input voor het schattingsproces.

Startbestanden

De laatst bekende stand van de personele formatie wordt opgeslagen in drie startbestanden:

  • Personen (bevat een persoonsnummer, geslacht en geboortedatum van alle werkenden, en eventueel bevoegdheden)
  • Taken (bevat o.a. een persoonsnummer, brin, schaal, periodiek, fte, fte seniorenregeling, functie, en eventueel vakken)
  • Scholen (bevat o.a. brin, gemeentenummer, schooltype, leerlingenprognose en denominatie)

Een persoon kan meerdere taken hebben op verschillende scholen. De gegevens van de taken zijn opgenomen in het takenbestand. Personen en taken zijn te koppelen via het persoonsnummer. In het takenbestand is ook een brin opgenomen, waardoor een taak te koppelen is aan een school in het scholenbestand.

Stille reserve

De voor instroom beschikbare stille reserve bestaat uit personen die als leraar of directeur hebben gewerkt maar nu niet meer in de betreffende onderwijssector werkzaam zijn en uit personen die zich recent hebben aangeboden op de onderwijsarbeidsmarkt, maar geen baan konden vinden. De omvang van deze groep is voor de mbo-sector moeilijk vast te stellen, omdat daar andere bevoegdheidseisen gelden.

Details

Omdat de actuele gegevensbestanden geen data van voor 1994 bevatten bestaat de stille reserve uit twee delen: personen die voor 1994 hun functie hebben verlaten en personen die vanaf 1994 hun baan hebben beëindigd. Op basis van het formatiebestand kan de stille reserve van personen die na 1994 hun baan hebben verlaten worden bepaald.

Waar het gaat om het deel van de stille reserve bestaande uit personen die voor 1994 zijn uitgestroomd wordt sinds de eerste Mirror-raming gebruik gemaakt van oudere, niet rechtstreeks aan de formatiebestanden koppelbare, reservebestanden. Hieruit worden elk jaar - met behulp van een benadering via de vorige versie van Mirror - die personen die intussen weer zijn ingestroomd verwijderd. Dit impliceert dat we dit deel van de stille reserve niet precies kunnen bepalen. De betekenis van deze groep als potentiële bron van personeel wordt gaandeweg echter steeds kleiner omdat de kans om terug te keren in het onderwijs sterk afneemt met de duur van de afwezigheid.

Conjunctuurscenario's

In Mirror wordt gebruik gemaakt van de aan de conjunctuur gerelateerde variabelen groei van het bruto binnenlands product en (regionale) werkloosheid. Voor deze cijfers zijn CBS realisatiecijfers beschikbaar en prognoses voor de korte termijn van het CPB. Deze zijn in de raming gebruikt. Voor latere jaren na de prognoses van het CPB zijn drie scenario’s gehanteerd: een optimistisch, neutraal en pessimistisch scenario. Daarbij betekent optimistisch hogere groei. We spreken met nadruk van scenario’s omdat het opstellen van nauwkeurige prognoses van conjuncturele ontwikkelingen op de langere termijn ondoenlijk is. In de scenario’s is een conjunctuurgolf verwerkt rond een langjarig historisch gemiddelde. Daarbij gaat een stijgend bruto binnenlands product gepaard met een lagere werkloosheid en vice versa.

De scenario’s hebben een effect op de uitkomsten van de arbeidsmarktramingen via:

  • Conjunctuurafhankelijkheid van stromen (via geschatte modelparameters in stroomvergelijkingen);
  • Conjunctuurafhankelijkheid van de beschikbaarheid van het aantal afgestudeerden van de lerarenopleidingen.

De uitkomsten van de arbeidsmarktramingen onder deze drie conjunctuurscenario’s geven daarmee enig inzicht in de conjunctuurafhankelijkheid van de arbeidsmarkt voor onderwijspersoneel. Zie de ramingsrapporten onder publicaties voor meer specifieke informatie over de in een raming gehanteerde conjunctuurscenario's.

Aanbod afstudeerders

Het aanbod van afstudeerders voor de onderwijsarbeidsmarkt wordt bepaald door achtereenvolgens:

  • Het aantal personen dat afstudeert van de opleiding tot leraar
  • Het percentage afgestudeerden dat zich daadwerkelijk aanbiedt op de onderwijsarbeidsmarkt (beschikbaarheidspercentage)

Uitgangspunt voor de toekomstige ontwikkeling van het aantal afstudeerders van de lerarenopleidingen zijn de referentieramingen van het ministerie van OCW. De referentieramingen geven onder andere informatie over het verwachte aantal afgestudeerden. Het betreft gegevens voor de pabo, hbo lerarenopleidingen (hbo-lo) en de universitaire lerarenopleidingen (ulo).

In de praktijk gaat slechts een deel van de afgestudeerden daadwerkelijk in het po dan wel vo werken. In het verleden is in overleg met OCW vastgelegd dat als uitgangspunt gehanteerd wordt dat van de afstudeerders van de pabo gemiddeld 92% in het po werkzaam zal zijn en van de afstudeerders van de hbo-lo en ulo gemiddeld 66% in het vo gaat werken. Het laatstgenoemde percentage is gebaseerd op de Loopbaanmonitor (rapporten: 2018, 2019).

De beschikbaarheid wordt geacht afhankelijk te zijn van de conjunctuur. Aangenomen wordt dat het percentage dat beschikbaar is voor het onderwijs meebeweegt met de ontwikkeling van het werkloosheidspercentage. Tevens is het gemiddelde niveau onder het pessimistische scenario ietwat hoger dan bij het optimistische scenario.

Schattingsproces

In het schattingsproces wordt het verband bepaald tussen de diverse stromen enerzijds en een aantal mogelijke verklarende variabelen anderzijds. De relaties die zo ontstaan kunnen worden gebruikt om prognoses mee te maken. Voor het schatten gebruiken we in de meeste gevallen gegevens over de laatste vijf jaren stromen. Voor het maken van ramingen wordt verondersteld dat de vastgestelde verbanden (ook wel vergelijkingen genoemd) ook in de toekomst stabiel blijven.

In het algemeen geldt dat een verklarende variabele een rol speelt in een vergelijking indien de statistische schattingsprocedure (OLS indien het gaat om een lineaire vergelijking, logit voor een keuze uit twee alternatieven of ordered logit voor een keuze uit meerdere geordende alternatieven) een coëfficiënt oplevert die statistisch significant van nul afwijkt, dat wil zeggen, indien de betreffende variabelen afzonderlijk of, met name in het geval van de regionale variabelen, gezamenlijk, een statistisch significante bijdrage aan de verklaring van de stroom in kwestie leveren.

Op de volgende, onderliggende pagina's wordt nog ingegaan op selecties die bij het schatten gepleegd moeten worden, op gebruikte variabelen en op correctiefactoren die nodig zijn om rekening te houden met ontbrekende gegevens in het formatiebestand.

Selecties

Het vaststellen van het verband tussen stroomgrootheid en de verklarende variabelen (het schatten van de vergelijkingen) vindt plaats op een relevante selectie van de waargenomen taken. De uitstroom wordt bijvoorbeeld afzonderlijk geschat voor ouderen (59 en ouder) en de groep jonger dan 59 jaar omdat het uitstroomgedrag van de twee groepen aanzienlijk verschilt. Taakveranderingen kleiner dan 0,0125 fte worden buiten beschouwing gelaten. Daarnaast wordt een stroom tussen jaar $t-1$ en jaar $t$ alleen meegenomen indien de betreffende instelling in zowel jaar $t-1$ als jaar $t$ wordt waargenomen. Er wordt met behulp van correctiefactoren gecorrigeerd voor instellingen die in één van deze jaren niet aanwezig zijn in het formatiebestand. Het gaat hier doorgaans om non-respons.

Gebruikte variabelen

In Mirror speelt een groot aantal variabelen een rol. Deze wisselen per vergelijking, afhankelijk van statistische en/of economische relevantie in het verleden. Stromen met weinig waarnemingen worden in het algemeen met minder variabelen voorspeld omdat in de schatting van de betreffende vergelijking minder coëfficiënten significant zijn. Vanwege het grote aantal mogelijke variabelen wordt hier voor het moment slechts een indruk van de gehanteerde variabelen gegeven. We kunnen daarbij een classificatie aanbrengen in:

  • Variabelen op taakniveau: taakomvang, omvang van de deelname in de seniorenregeling, dummy voor een fulltime taak, inschaling (schaal en periodiek, bruto salaris), dummy voor maximum periodiek, gegeven vak.
  • Variabelen op persoonsniveau: leeftijd(scategorie), geslacht, totale omvang van alle taken van de persoon, aantal taken.
  • Variabelen op schoolniveau: aantal leerlingen, groei van het aantal leerlingen, aantal fte in een bepaalde functie, denominatie, schooltype, gemiddelde taakomvang op de school, percentage uitstroom uit een bepaalde functie.
  • Variabelen op regionaal niveau: werkloosheid, regionale onvervulde vraag in het voorafgaande jaar, aandeel leraren werkend aan een school van een specifiek schooltype in het totaal aantal fte leraren in de regio.

 

Correctiefactoren

Een per jaar verschillend aantal instellingen levert niet tijdig de benodigde informatie voor het formatiebestand op. Als gevolg daarvan wordt een deel van taakveranderingen, taakverlies en functieverandering in het schattingsproces ten onrechte gezien als onderdeel van de instroom dan wel de uitstroom. Hierdoor worden in- en uitstroom overschat, terwijl taakveranderingen, taakverlies en functiewijziging onderschat worden. Om hiervoor te corrigeren, gebruiken we correctiefactoren die bepaald worden aan de hand van de non-respons.

Prognosemodel

Als alle data verzameld is en omgezet is naar enerzijds startbestanden en anderzijds schattingsresultaten, dan kan het proces van het maken van prognoses beginnen. Deze pagina's beschrijven hoe Mirror prognoses maakt van stromen en inschaling van taken.

Voor ieder simulatiejaar verwerkt Mirror de volgende stappen. Allereerst is een bepaling van de werkgelegenheid voor leraren, directeuren, et cetera van belang, afhankelijk van voornamelijk het voorspelde aantal leerlingen en de leerling-fteratio. Vervolgens komen de stromen voor het voltallige zittende personeel aan bod. Men kan bijvoorbeeld besluiten uit te stromen, van functie te veranderen, op een andere school te gaan werken of meer of minder te gaan werken. Ook kan iemand besluiten gebruik te gaan maken van de seniorenregeling of een masterdiploma te gaan halen en in het eerstegraadsgebied te gaan werken (alleen in het vo). De ruimte die na deze wijzigingen op scholen blijft, wordt (mogelijk deels) ingenomen door instroom van personeel. Aan het eind van ieder simulatiejaar kan de inschaling van het personeel worden bepaald en ook de loonkosten inclusief werkgeverslasten. Vervolgens komt het volgende simulatiejaar aan de beurt, waarin al deze stappen wederom doorlopen worden.

In de figuur hieronder is het proces schematisch weergegeven.
 

In iedere simulatie zitten ook kanselementen. Mirror maakt standaard meerdere ramingen voor de toekomst en neemt van alle ramingen het gemiddelde om zo tot stabiele resultaten te komen. De pagina's hieronder beschrijven alle stappen in detail.

Op de onderliggende pagina's zullen we ingaan op ieder onderdeel van het prognoseproces.

Toelichting

De verschillende stromen zoals uitstroom, arbeidsduurwijziging, functiewijziging en instroom worden in Mirror na elkaar uitgerekend. Dit is uiteraard een abstractie van de werkelijkheid aangezien een dergelijk proces op scholen continu verloopt. Mirror berekent echter niet alle stromen op elk moment in de tijd, maar alleen de stromen tussen peilmomenten (1 oktober) in twee opeenvolgende jaren, omdat de standgegevens ook alleen op die momenten bij ons bekend zijn. Dat betekent dat een keuze moet worden gemaakt betreffende de volgorde waarin deze stromen worden uitgerekend. Er is voor gekozen de uitstroom het eerst aan bod te laten komen. Uitstroom is vaak relatief autonoom. De AOW-leeftijd bijvoorbeeld is voor de komende jaren bekend. Uitstroom naar arbeidsongeschiktheid is normaliter ook niet afhankelijk van bijvoorbeeld taakvergroting van anderen. Bovendien worden vergroting van de arbeidsduur en instroom begrensd door de beschikbare vacatureruimte. Door uitstroom als eerste toe te passen ontstaan de minste problemen in Mirror met het inpassen van personeel waarvan voorspeld wordt dat hun taakomvang zal toenemen.
 
Vanwege vergelijkbare argumenten komen vervolgens stromen aan bod waarbij een taak verloren gaat. Dit is een vrij complex onderdeel omdat het verliezen van een taak vaak gepaard gaat met het verkrijgen van een nieuwe taak op een andere school en/of uitbreiding van een andere bestaande taak. Vervolgens behandelen we in Mirror functieverandering (waarbij ook vacatureruimte kan ontstaan), het ontstaan van nieuwe taken bij personen die al werken (daarbij worden vacatures opgevuld), het wijzigen van de bestaande taakomvang (waarbij men op dezelfde school blijft werken), graadverhoging van leraren in het vo en vervolgens instroom. Tot slot volgt nog een aantal modules die volgen uit de arbeidsmarktstromen en de aan het eind van het jaar werkende populatie, zoals het verzuim en de kosten van het personeel.
 

Algemene processen

Sommige processen vinden in Mirror op verschillende plaatsen plaats. Om herhaling te voorkomen, worden deze algemene processen hier beschreven. Het gaat om het bepalen van een taakomvang, het zoeken van de school waar een taak zal worden uitgevoerd en het bepalen van de vakken die een taak gaat geven op een school in het vo. Deze modules zijn bijvoorbeeld nodig in de instroommodule, maar bijvoorbeeld ook indien iemand besluit op een andere school te gaan werken met mogelijk een andere taakomvang. Op de onderliggende pagina's worden deze algemene modules besproken.

Taakomvang

In de praktijk is de taakomvang van taken niet random verdeeld, maar zien we pieken bij een full-time taak en taken van een geheel aantal halve dagen per week. Het komt ook voor dat een taak meer dan full-time is. Om dit verdelingsaspect in de simulatie terug te laten komen is het bepalen van een taakomvang een getrapt proces, zoals weergegeven in onderstaande figuur.

Eerst wordt met een logit model bepaald of men minimaal een voltijdstaak krijgt.

  • Zo ja, dan wordt met een logit model gekeken of het meer dan voltijd betreft.
    • Zo ja: de omvang wordt bepaald met een lineaire regressie.
    • Zo nee: de taakomvang is 1 fte.
  • Zo nee, dan betreft het een deeltijdtaak en wordt met een logit model bezien of het een geheel aantal halve dagen betreft.
  • Zo ja, dan wordt met een ordered logit model bepaald hoeveel halve dagen het betreft.
  • Zo nee, dan wordt met een lineaire regressie de taakomvang bepaald.

Bij het modelleren van kleine stromen worden soms vereenvoudigingen toegepast, bijvoorbeeld door geen taken groter dan fulltime toe te laten, of door af te zien van de tussenstap waarin bepaald wordt of de taakomvang een geheel aantal halve dagen bedraagt en zo ja, hoeveel.

School zoeken

In verschillende modules moet naar een school gezocht worden waar een persoon gaat werken. Bijvoorbeeld indien iemand een taak erbij krijgt (al dan niet na taakverlies) of bij instroom. De daarbij gehanteerde procedure is gestandaardiseerd in Mirror.

In de implementatie van Mirror worden scores aan scholen toegekend op basis van het gewenste schooltype, vak (in het vo), regio en taakomvang om te bepalen wie waar gaat werken. De school die de hoogste score krijgt toegewezen op grond van de voorkeuren van de persoon “wint” vanuit de gedachte dat de best passende school de voorkeur verdient. We geven hier een wat vereenvoudigd beeld van de procedure die gevolgd wordt.

De scores zijn zodanig gekozen dat men instroomt in de regio van voorkeur indien men daar het gewenste vak kan geven. Indien dat niet kan wijkt men uit naar een direct naastgelegen regio. Lukt dat ook niet en gaat het om het eerstegraadsniveau, dan wordt dit proces vervolgens doorlopen voor het tweedegraadsniveau. Lukt ook dat niet dan wordt dit proces herhaald voor verder weg gelegen regio’s.

Bij gelijkwaardige scores wint de school met hetzelfde schooltype als waaraan voorkeur gegeven wordt. In alle gevallen geldt dat er een vacature op de school moet zijn en dat er binnen de regio geen overschot aan het betreffende vak mag zijn (bijvoorbeeld omdat op andere scholen teveel leraren in dat vak aanwezig zijn ten gevolge van krimp).

Voor andere sectoren dan het vo speelt vak geen rol in de bepaling van schoolscores en tellen alleen beschikbare ruimte, voorkeursregio en voorkeursschooltype een rol.

Vakken bepalen (vo)

Als een leraar instroomt en bij een school gaat werken, moet bepaald worden welke vakken hij gaat geven en van welke graad. Uitgangspunt is daarbij dat de leraar bevoegd moet zijn voor het vak dat hij gaat geven en uiteraard dat er ruimte is om dat vak te geven. Voor instromende afstudeerders wordt de bevoegdheid bepaald aan de hand van de informatie over vak en graad waarin men is afgestudeerd. Voor de stille reserve wordt gehanteerd dat men bevoegd is voor het vak of de vakken die men gaf voorafgaand aan uitstroom naar de stille reserve, al hoeft dit strikt genomen in de praktijk niet altijd het geval te zijn.

Van deze mogelijk vakken krijgt de leraar het vak toegewezen waar de meeste behoefte aan bestaat op de school. Daarbij wordt een tweedegraadsvak ook overwogen (met een lagere score) indien het voorkeursvak het eerstegraadsvak betreft. Indien meerdere voorkeursvakken dezelfde score hebben, wordt het vak met de grootste onvervulde vraag op de school gekozen.

Om te voorkomen dat er teveel te kleine taken ontstaan, wordt in zeer beperkte mate toegestaan dat men op een school een grotere taak krijgt dan feitelijk ruimte was in dat vak, mits er op regionaal niveau nog voldoende ruimte is.

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid voor onderwijspersoneel in het startjaar ontlenen we aan de formatiegegevens in het startjaar. Daarbij worden de verschillende functies apart beschouwd. Voor de werkgelegenheid voor daadwerkelijk gewerkte uren wordt gekeken naar het aantal fte exclusief het gebruik van de seniorenregeling. Het verband tussen aantallen leerlingen en aantallen fte exclusief de seniorenregeling is geschat op historische formatiegegevens. Er is ook een constante term opgenomen, indien significant. In het bao is daarnaast ook rekening gehouden met extra vaste voeten in de bekostiging voor (zeer) kleine scholen, wat leidt tot een kleine toename van de werkgelegenheid bij (zeer) kleine scholen ten opzichte van een situatie zonder deze correctie. In de praktijk is de leerling-fteratio veruit de meest dominante factor in deze verbanden.

De verbanden worden gebruikt om de werkgelegenheid voor onderwijspersoneel op een school (exclusief de seniorenregeling) in latere jaren te voorspellen. Daarbij wordt rekening gehouden met de schoolspecifieke situatie: indien een school in de formatiegegevens bijvoorbeeld 10% meer leraren in dienst heeft dan het verband voor leraren voorspelt, dan wordt aangenomen dat deze 10% extra werkgelegenheid voor leraren ook in latere jaren aanwezig blijft.

Met betrekking tot vakken in het vo wordt verondersteld dat de verdeling over vakken op schoolniveau in de toekomst gelijk blijft. Alle vakken groeien of krimpen op een school dus in gelijke mate. Omdat verschillende scholen een andere groei of krimp kennen, betekent dit dat de landelijke verhouding tussen de vakken per jaar kan verschillen.

Uitstroom

Uitstroom is in Mirror gedefinieerd als de situatie waarin een persoon al zijn of haar taken in de sector verliest. In alle andere gevallen waarin sprake is van het verlies van een taak, maar men toch in de sector werkzaam blijft wordt dit gedefinieerd als taakverlies.

Het uitstroomproces zoals dat in Mirror wordt gemodelleerd is in de volgende figuur weergegeven.

Voor de uitstroom wordt een aantal mogelijkheden onderscheiden, dit zijn:

  • uitstroom ten gevolge van het bereiken van de AOW-leeftijd
  • overige uitstroom

Dit onderscheid wordt gemaakt omdat aan de eerste stroom geen toevalsproces ten grondslag ligt. De AOW-leeftijd is voor de komende jaren bekend. Als men de AOW-leeftijd bereikt, dan stroomt men uit.

De kans op overige uitstroom is gebaseerd op een logitvergelijking. Deze wordt apart geschat voor de groep tot en met 59 jaar en de groep van 60 jaar en ouder. Deze opsplitsing wordt gehanteerd omdat ouderen de meeste kans op uitstroom hebben en zo een betere fit kan worden verkregen van de modelvergelijkingen op de in de praktijk waargenomen uitstroom. Wordt van iemand vastgesteld dat deze tot de overige uitstroom behoort, dan wordt deze uitstroom onderverdeeld naar de volgende categorieën:

  • uitstroom naar arbeidsongeschiktheid
  • overlijden
  • uitstroom naar stille reserve

De kans op overlijden is ontleend de prognose van sterfte van het CBS naar geslacht en leeftijd, gecorrigeerd met in het verleden door het ministerie van Binnenlandse Zaken aangeleverde cijfers van het ABP. Deze correctie is nodig omdat het de cijfers van het CBS alle personen betreffen, ook niet-onderwijspersoneel en niet-werkenden, en in Mirror juist alleen werkend onderwijspersoneel wordt gesimuleerd. Het is bekend dat deze groep een kleinere overlijdenskans heeft vergeleken met de gehele bevolking. De cijfers van het ABP mogen niet meer aangeleverd worden en daardoor zijn de correctiefactoren sinds de arbeidsmarktraming met startjaar 2014 dus niet van een update voorzien.

De kans op uitstroom naar arbeidsongeschiktheid is ontleend aan cijfers van stamos. Deze cijfers hebben sinds het opheffen van stamos geen update meer gehad. Personen die deels arbeidsongeschikt raken en daardoor minder gaan werken kunnen niet zuiver afzonderlijk worden geobserveerd in de data en komen daardoor bij taakverkleining terecht. Uitstroom naar arbeidsongeschiktheid betreft daarom altijd volledige arbeidsongeschiktheid.

De kans op uitstroom naar de stille reserve is een restpost. Deze wordt bepaald uit de kans op overige uitstroom minus de kansen op arbeidsongeschiktheid en overlijden.

Personen die uitstromen naar de stille reserve worden toegevoegd aan het bestand met de stille reserve. Deze personen kunnen in een later simulatiejaar mogelijk weer instromen. De overige onderdelen van de uitstroom (overlijden, arbeidsongeschiktheid, bereiken AOW-leeftijd) zijn niet meer beschikbaar voor de onderwijsarbeidsmarkt.

Doorstroom

Onder doorstroom worden alle stromen verstaan van personen die al werkzaam zijn in de sector en dat ook blijven. De mogelijke veranderingen betreffen dan gaan werken op een andere school (taakverlies), functiewijziging en arbeidsduurwijziging (taakverandering).

Taakverlies

Deze module behandelt de gevallen waarin een taak volledig verloren gaat. Omdat geen sprake is van volledige uitstroom moet er minimaal één taak overblijven voor de betreffende persoon. De persoon krijgt er na taakverlies dus weer een taak bij als deze dan geen taak meer heeft. Of deze had al een extra taak en in die taak verandert mogelijk iets na het verlies van de andere taak. De volgorde van modelleren is weergegeven in onderstaande figuur.

We bespreken nu de details. Eerst wordt bepaald of er sprake is van taakverlies in combinatie met een nieuwe taak en/of taakuitbreiding. Zo ja, bezie wat er verder met deze persoon gebeurt:

  • Personen die na taakverlies geen taak over hebben krijgen altijd een nieuwe taak. Indien dit het geval is moet een voorkeursregio en taakomvang worden bepaald.
  • Personen die na taakverlies wel een taak over hebben krijgen eventueel ook een nieuwe taak. Indien dit het geval is, is dit bij voorkeur in de regio waar men al werkt en moet nog de taakomvang worden bepaald.
  • Personen die een taak verloren hebben kunnen eventueel ook de omvang van een nog bestaande taak wijzigen. Ook daarvoor is een kans geschat. Zo ja, dan wordt de omvang van een taakuitbreiding na taakverlies bepaald met een lineaire regressie.

De eventueel toegewezen nieuwe taak kan een andere functie betreffen. Welke functie dat is, is afhankelijk van de functie van de verloren taak. Mogelijke overgangen zijn leraar naar directeur en omgekeerd en van oop/obp naar leraar. Per functie is een vergelijking geschat om te bepalen of men van functie verandert.

Indien er een nieuwe taak wordt aangenomen, wordt vervolgens een school gezocht waar dit zal plaatsvinden. Daartoe wordt eerst het schooltype van voorkeur vastgesteld met een ordered logit model (een leraar op schooltype wec heeft bijvoorbeeld een grote kans om weer op het wec aan de slag te gaan). Vervolgens wordt de regio van voorkeur bepaald. Dit gaat als volgt. In een eerste stap wordt bezien met een logit model of men regionaal mobiel is.

  • Indien nee, dan is de nieuwe regio de regio van de verloren taak
  • Indien ja, dan wordt met een logit model vastgesteld of men naar een aangrenzende regio gaat.
    • Indien ja, dan wordt een regio uit een overgangsmatrix voor aangrenzende regio’s getrokken.
    • Indien nee, dan wordt een regio uit een overgangsmatrix voor overige regio’s getrokken.

Als gewenst schooltype, regio en taakomvang zijn vastgesteld, dan wordt een bijpassende school gezocht met voldoende vacatures. Dit gebeurt via het standaardproces school zoeken.

Functiewijziging

In taakverlies is functieverandering deels gemodelleerd, namelijk in het geval dat er een taak verloren gaat en er een nieuwe taak op een andere school ontstaat, mogelijk met een andere functie. In de module functiewijziging wordt functieverandering op dezelfde school gemodelleerd. Met een logit model wordt eerst bezien of sprake is van functieverandering. Zo ja, dan wordt de taakomvang volgens de procedure taakomvang vastgesteld.

Taakverandering

Degenen die niet zijn geconfronteerd met taakverlies of functieverandering, kunnen hun taak nog vergroten of verkleinen. Dit gebeurt met aparte vergelijkingen voor full-timers en part-timers. Eerst wordt via logit vergelijkingen vastgesteld of sprake is van taakvergroting of taakverkleining (of niets). Indien vastgesteld is dat de taakomvang gaat veranderen, dan wordt de omvang van de verandering vastgesteld.

Het kan hierbij voorkomen dat een vergroting of verkleining leidt tot een ongewenste uitkomst, bijvoorbeeld een taakomvang kleiner dan 1 lesuur of een taakomvang groter dan 1,21 fte (de maximaal in de data geaccepteerde taakomvang). In dat geval wordt de omvang afgeknot en het restant toegewezen aan de volgende persoon die daarvoor in aanmerking komt.

Extra taak

Als er geen taakverlies optreedt, kan er ook sprake zijn van een nieuwe taak. Eerst wordt vastgesteld of hiervan sprake is middels een logit vergelijking. Zo ja, dan wordt de taakomvang vastgesteld. De regio van voorkeur is de regio waarin de al bestaande taak actief is. Vervolgens wordt via het proces school zoeken een school gezocht.

Seniorenregeling

De seniorenregeling (voormalige BAPO) is een regeling die het aantrekkelijk maakt voor oudere werknemers om minder te gaan werken met gedeeltelijk behoud van het salaris over de minder gewerkte uren. Er wordt een aantal categorieën onderscheiden: geen, 10,25% en 20,49% seniorenregeling. Als een persoon gebruik maakt van de seniorenregeling, dan leidt dat tot een vacature ter grootte van de omvang van de deelname in de seniorenregeling.

In de praktijk vinden we in de data van DUO veel afwijkende waarden van de eerder genoemde percentages, tot zelfs 100%. Dit is naar we aannemen het gevolg van het opsparen van rechten. Men neemt eerst minder deel aan de seniorenregeling dan waar men recht op heeft en later wordt dat gecompenseerd met een hoger niveau. In Mirror modelleren we alleen de genoemde niveaus omdat (de mate van) het opsparen van rechten niet uit de data te halen valt, omdat alleen het daadwerkelijke gebruik van de regeling beschikbaar is in de data. Er is dus wat dat betreft een verschil tussen de modellering in Mirror en de praktijk.

De aanpak in Mirror betreft allereerst een aanpassing van de startdata: van personen die een te grote deelname in de seniorenregeling hebben passen we de deelname naar beneden aan naar het dichtstbijzijnde niveau. Vervolgens kijken we naar personen die deelnemen in de seniorenregeling, maar minder dan 10,25% of 20,49%. Deze passen we naar boven aan naar het niveau waar men op grond van de leeftijd recht op heeft. De som van al deze aanpassingen (negatief plus positief) wordt bijgehouden. Het overschot aan deelname (vanwege opsparen) wordt verdeeld over degenen die geen deelname hebben maar daar vanwege de leeftijd wel recht op hebben. Macro wordt de deelname in de seniorenregeling dus niet aangepast.

Tijdens een simulatie in Mirror wordt per jaar éénmalig een kans geboden aan iedereen van de juiste leeftijd om deel te gaan nemen aan de seniorenregeling. Indien een persoon niet deelneemt, dan zal die persoon dat in latere jaren ook niet gaan doen. Indien een persoon wel deelneemt, dan begint men met 10,25%. In het vo en het mbo is er ook nog een kans om bij de juiste leeftijd over te gaan naar 20,49% deelname aan de seniorenregeling.

Graadverhoging (vo)

Ieder jaar haalt een deel van de leraren die alleen een tweedegraadsbevoegdheid heeft een eerstegraadsbevoegdheid. Het gaat daarbij om de hbo-master afgestudeerden. Deze hebben in een eerder stadium al een hbo-bachelor diploma behaald. We gaan er van uit dat deze personen allemaal werkzaam zijn in het vo. Indien we in Mirror een persoon graadverhoging toekennen, dan gaat de persoon voornamelijk het eerstegraadsvak geven, maar behoudt tevens ook nog deels zijn tweedegraadsvakken. De verhouding van eerstegraads- en tweedegraadsvakken wordt daarbij aangepast naar de historisch verdeling bij personen die eerstegraads les geven in het gegeven vak. Het totaal aantal fte van de taak blijft altijd behouden.

Instroom

Nadat eerdere stromen (zoals uitstroom, taakverlies, taakverandering, et cetera) zijn vastgesteld, resteert een aantal vacatures dat mogelijk nog vervuld zal worden. De manier waarop dat gebeurt, hangt in Mirror af van de functie waar het om gaat. Leraren kunnen bijvoorbeeld vanuit de lerarenopleiding en uit de stille reserve instromen. Directeuren stromen in vanuit de stille reserve en deels door zijinstroom. Vacatures directeuren kunnen ook vervuld worden door leraren die directeur worden (functiewijziging). Voor oop/obp wordt verondersteld dat er altijd genoeg personen aanwezig zijn om alle vacatures te vervullen, omdat voor die functies het aanbod niet geheel in beeld is. Voor die functies worden dus naar believen personen gecreëer, met een leeftijd/geslacht verdeling op grond van de historische instroom.

Onderstaande figuren geven het proces voor leraren weer. Onder de figuren is meer detail te vinden.

De twee subprocessen om personen te laten instromen, werken min of meer identiek. De werking van het subproces is hieronder weergegeven.

Instroom van afgestudeerden

Het proces waarmee het jaarlijks aantal beschikbare aantal afstudeerders wordt vastgesteld is elders beschreven. Voor deze afstudeerders wordt in eerste instantie een school in een regio gezocht, waarbij de regio bepaald is met een model waarin de regionaal benodigde instroom is verwerkt. Voor elke instromer wordt ook de leeftijd, het geslacht, de gewenste taakomvang en het vak van afstuderen modelmatig bepaald aan de hand van historische gegevens. Als er geen plek in de gewenste regio beschikbaar is voor de gewenste taakomvang, dan wordt in andere regio’s naar een school gezocht (zie voor meer detail de pagina over het zoeken van een school). In het algemeen zijn er echter voldoende vacatures beschikbaar in de voorkeursregio op het moment dat de instroom van afstudeerders in het model wordt behandeld zodat haast altijd een vacature met de gewenste taakomvang (en de gewenste vakken in het vo) in de gewenste regio beschikbaar is. De instroom van afgestudeerden vindt namelijk als eerste plaats in de instroom module.

Instroom vanuit de stille reserve

De manier waarop de stille reserve in het startjaar is geconstrueerd is elders beschreven. Instromers uit de stille reserve worden leraar of directeur. De instroomkans uit de stille reserve is afgeleid uit de beschikbare data waarin personen van jaar tot jaar geanonimiseerd gevolgd kunnen worden. Door tijdens de simulatie het bestand van de stille reserve steeds bij te werken en de geschatte instroomkansen toe te passen, zijn de aantallen personen die zich jaarlijks aanbieden vanuit de stille reserve met hun geslacht, leeftijd en functie te simuleren. De taakomvang van instromers wordt vervolgens modelmatig bepaald, waarbij wordt afgezien van taakomvangen groter dan 1 fte.

Aan instromers uit de stille reserve dient ook een voorkeursregio te worden toegewezen. Van iemand die instroomt uit de stille reserve is de regio van uitstroom naar de stille reserve bekend. Deze regio wordt gebruikt om de regio van instroom te bepalen analoog aan het proces in de module taakverlies. Eerst wordt dus bekeken of een persoon regionaal mobiel is. Als dat het geval is, wordt nog bekeken (met een logit model) of iemand in een naburige regio terecht zal komen en afhankelijk van de uitkomst daarvan wordt er gewerkt met een overgangsmatrix die een naburige dan wel niet-naburige voorkeursregio geeft. De mogelijke vakken van instroom van de persoon worden gegeven door de vakken die de persoon gaf vóór uitstroom naar de stille reserve. Daarbij wordt aangenomen dat de persoon bij instroom een bevoegdheid heeft voor de eerder gegeven vakken. Vervolgens wordt een school gezocht via het algoritme op de pagina school zoeken.

Kanttekening

Voor het mbo wordt voor alle functies verondersteld dat er voldoende instroom beschikbaar is, dus ook voor leraren en directeuren. Deze aanname wordt gemaakt omdat de arbeidsmarkt voor die sector veel opener is en het aanbod daardoor lastig te voorspellen is. Daar is dan dus ook geen sprake van een bestand stille reserve dat gedurende de simulatie wordt bijgehouden. Personen die instromen vanuit de stille reserve worden naar behoeven gecreëerd en vacatures treden daarom in het mbo-model niet op. Dat wil niet zeggen dat er in het mbo geen krapte kan bestaan in de praktijk. Het is op het moment alleen niet goed mogelijk deze krapte te voorspellen. De instroom die voor het mbo voorspeld wordt, geeft wel een indicatie van de moeite die gedaan moet worden om tekorten te voorkomen. Om vergelijkbare redenen wordt voor leraren in het praktijkonderwijs dezelfde aanname gemaakt en kan de benodigde instroom gezien worden als krapte-indicator.

Extra functiewijziging

Indien in de simulaties tekorten ontstaan onder leraren en directeuren kan het voorkomen dat de tekorten vooral neerslaan bij directeuren, bijvoorbeeld omdat bij tekorten onder leraren weinig leraren directeur worden. We hechten in dit opzicht echter weinig waarde aan de uitkomsten van het model. Het is immers maar zeer de vraag hoe tekorten in de praktijk verdeeld gaan worden over leraren en directeuren. Er kan immers in beide richtingen extra functiewijziging optreden om problemen op te lossen. Derhalve hebben we de keuze gemaakt om alleen te rapporteren over de totale tekorten onder leraren en directeuren samen. Bij het vo komen we dan echter het probleem tegen dat we een indicatie willen van de tekorten naar vak. Dat betekent dat er alsnog een keuze gemaakt moet worden in welke mate tekorten moeten worden neergelegd bij leraren en in welke mate bij directeuren. We hebben er daarbij voor gekozen om alle tekorten neer te leggen bij leraren. Om dit te bereiken wordt bij een tekort onder directeuren extra functiewijziging opgelegd. In de simulaties gebeurt dit door extra leraren de kans te geven directeur te worden totdat de tekorten onder directeuren zijn opgelost. Dezelfde systematiek wordt gebruikt voor het po en mbo, al is deze keuze daar niet relevant voor de gepresenteerde uitkomsten.

Verzuim

Verzuimpercentages (verzuimfte's ten opzichte van de taakomvang) worden uit door DUO aangeleverde data afgeleid. Deze percentages zijn uitgesplitst naar schooltype, functie, geslacht en leeftijdscategorie. Verzuim is geen onderdeel van de formatiebestanden. We hebben daardoor geen zicht op het verloop van verzuim op individueel niveau gedurende het jaar. Het goed modelleren van verzuim op taak- of persoonsniveau is daardoor lastig.

We simuleren verzuim door op iedere taak de bijbehorende percentages toe te passen, waarbij de percentages geïnterpreteerd worden als kans om in aanraking te komen met verzuim. Het door Mirror gerapporteerde verzuim geeft dus het gemiddeld te verwachten verzuim.

Echter, verzuim wordt soms vervangen door bestaand personeel en soms kan ook (tijdelijk) geen vervanger gevonden worden. Op daadwerkelijke vervanging hebben we geen zicht. Het gerapporteerde verzuim is dus een bovengrens voor het extra aantal fte dat per peildatum benodigd is.

Vanwege alle bovenstaande onzekerheden, betrekken we verzuim ook niet als extra werkgelegenheid in Mirror en simuleren we alleen regulier personeel.

Inschaling

Bij de inschaling van personeel wordt onderscheid gemaakt naar zittend personeel en instroom. Na het bepalen van de inschaling van het personeel wordt nog een correctieslag uitgevoerd om te zorgen dat ieder jaar een vastgestelde functiemix (de verdeling van fte's leraren over de leraarschalen) wordt bereikt.

Inschaling zittend personeel

Zittend personeel kan één of meerdere periodieken ontvangen. In Mirror wordt de mogelijkheid tot 0, 1, 2, 3 of 4 extra periodieken geboden. De kans op meer dan 4 periodieken is zo gering dat deze niet wordt gemodelleerd. In de praktijk krijgt vrijwel iedereen jaarlijks één extra periodiek, tenzij men in het schaalmaximum zit of er sprake is van schaalwijziging.

Eerst wordt van iedereen bezien of men precies één extra periodiek ontvangt. Zo ja, dan krijgt men die en is de procedure gereed. Zo nee, dan worden de kansen op 0, 2, of 3 periodieken berekend. De resterende kans wordt behandeld als zijnde de kans op 4 periodieken.

Indien sprake is van functiewijziging, dan dient er een nieuwe schaal te worden vastgesteld. Dit gebeurt aan de hand van overgangstabellen waarin de historische kansen op een bepaalde schaal zijn opgenomen na schaalwijziging, afhankelijk van de schaal in de oude functie. Als de schaal bekend is, dan moet nog een periodiek vastgesteld worden. Daartoe is de omvang van de inkomenswijziging na functiewijziging gemodelleerd per type functiewijziging. Deze inkomenswijziging geeft opgeteld bij het oude inschalingsbedrag een nieuw schaalbedrag. Bij dit nieuwe schaalbedrag wordt de dichtstbijzijnde periodiek genomen als de periodiek van instroom in de nieuwe functie.

Inschaling instroom

De inschaling van instromers wordt bepaald aan de hand van overgangstabellen met historische verdelingen van de schaal van instromers. Deze tabellen zijn opgesplitst naar het schooltype van de school waar men instroomt en naar leeftijdscategorie. Nadat de schaal is vastgesteld kan de periodiek van instroom bepaald worden. Ook dit gebeurt aan de hand van overgangstabellen. Voor elke schaal is sprake van een aparte tabel. Deze tabellen zijn opgesplitst naar leeftijdscategorie.

Functiemix opleggen

Na het bepalen van de inschaling van het zittende personeel en de instromers, moet nog wel gezorgd worden dat voldaan wordt aan functiemixdoelstellingen. In overleg met het ministerie van OCW wordt daarbij voor het vo en het mbo als doelstelling gehanteerd dat de functiemix constant blijft op de verdeling in het laatste bekende jaar. Voor het po wordt aangenomen dat de in het Convenant LeerKracht afgesproken functiemix in de nabije toekomst wordt gehaald.

Om de functiemix waar nodig aan te passen, worden de volgende stappen doorlopen, waarin personen steeds willekeurig worden getrokken.

  1. Allereerst krijgt zittend personeel dat is ingeschaald in periodiek 5 of hoger de kans te worden bevorderd;
  2. Indien nog niet aan de functiemix is voldaan, krijgt het overige zittende personeel de kans om te worden bevorderd;
  3. Indien nog niet aan de functiemix is voldaan, krijgen instromers de kans om te worden bevorderd;
  4. Indien nog niet aan de functiemix is voldaan, wordt bekeken of instromers wellicht lager ingeschaald moeten worden om beter aan de functiemix te kunnen voldoen.

Loonkosten

Deze sectie beschrijft het proces om de kosten te berekenen die ten behoeve van het personeel gemaakt worden. Allereerst wordt het brutoloon van een taak op kalenderjaarbasis bepaald. Vervolgens wordt dit vermeerderd met de werkgeverslasten om te komen tot de loonkosten van een taak. Tot slot wordt dit gewogen met de periode van het jaar dat men in dienst is geweest en worden de gewogen individuele loonkosten opgeteld om te komen tot totale loonkosten op kalenderjaarbasis. Op de onderliggende pagina's zijn details omtrent deze berekeningen te vinden.

Brutoloon

Stromen (zoals in- en uitstroom) lopen in Mirror altijd van oktober van een jaar tot oktober het jaar erna. De loonkosten moeten echter berekend worden op kalenderjaarbasis (bijvoorbeeld ten behoeve van begrotingen en confrontaties met budgetten). Daartoe simuleert Mirror hoe men op 1 januari van ieder jaar is ingeschaald. Periodiekverhogingen worden per 1 september uitgekeerd. In de salaristabellen worden vervolgens de juiste bedragen bij de betreffende inschalingen gedurende het jaar gezocht en opgeteld tot een bruto jaarloon van de taak. De volgende stap is dit brutosalaris te verhogen met de werkgeverslasten.

Werkgeverslasten

In Mirror worden op basis van het brutosalaris van een taak de loonkosten voor de werkgever bepaald. Daarin spelen diverse premiepercentages en andere financiële grootheden een rol. Deze grootheden kunnen van jaar op jaar verschillend zijn (neem bijvoorbeeld de eenmalige uitkeringen en de pensioenpremies). De werkgeverslasten van een taak worden bepaald door de volgende grootheden te berekenen:

  1. Brutosalaris
  2. Uitkeringen en toelagen, zoals bijvoorbeeld de vakantie-uitkering en de inkomenstoelage om te komen tot het brutosalaris plus
  3. Pensioenpremies
  4. Premies voor werknemersverzekeringen
  5. Overig werkgeverslasten, zoals het vervangingsfonds en de levensloopbijdrage

De totale werkgeverslasten van een taak worden vervolgens berekend als optelling van het brutosalaris plus, de werkgeverspremies voor pensioen en werknemersverzekeringen en de overige werkgeverslasten. Bovenstaande onderdelen komen in de volgende secties in detail aan bod.

Het brutosalaris komt als volgt tot stand.

  1. Eerst worden het aantal fte, en het aantal fte exclusief de korting bij gebruik van de seniorenregeling (hierna: fte exclusief seniorenregeling) bepaald. De laatste grootheid wordt berekend als het aantal fte minus het aantal fte seniorenregeling vermenigvuldigd met het relevante kortingspercentage.
  2. Vervolgens kan het brutosalaris bepaald worden op basis van de inschaling (schaal en periodiek) gedurende het kalenderjaar en de taakomvang. Merk op dat de inschaling per september van het kalenderjaar kan veranderen. Hiermee wordt rekening gehouden in Mirror.

De volgende componenten spelen een rol bij het bepalen van het brutosalaris plus.

  1. De uitlooptoeslag, indien men daar recht op heeft. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt deze vermenigvuldigd met de taakomvang.
  2. De korting bij gebruik van de seniorenregeling (hierna: korting seniorenregeling), namelijk het deel van de kosten van de seniorenregeling dat de werknemer zelf moet bijdragen. Dit wordt berekend als: omvang seniorenregeling (in fte) vermenigvuldigd met het relevante kortingspercentage en vermenigvuldigd met de som van het brutosalaris en de uitlooptoeslag.
  3. De directietoelage. Directeuren in het primair onderwijs in schaal DA tot en met DC ontvangen een toelage. Deze wordt berekend als het fte exclusief seniorenregeling vermenigvuldigd met het relevante bedrag.
  4. Het schaaluitloopbedrag, indien men daar recht op heeft. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt deze vermenigvuldigd met de taakomvang. Voor het primair onderwijs geldt een korting bij gebruik van de seniorenregeling. Voor het primair onderwijs wordt vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering uitgekeerd over het schaaluitloopbedrag, in andere sectoren niet.
  5. De vakantie-uitkering bedraagt 8% van (brutosalaris + uitlooptoeslag - korting seniorenregeling). Er wordt rekening gehouden met de minimum vakantie-uitkering.
  6. De eindejaarsuitkering wordt berekend als een percentage van (brutosalaris + uitlooptoeslag – korting seniorenregeling).
  7. Eenmalige uitkeringen kunnen nominaal van aard zijn of een percentage over diverse loonbestanddelen. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt het resulterende bedrag vermenigvuldigd met de taakomvang.
  8. De inkomenstoelage, indien nog van toepassing, wordt berekend door het bedrag te vermenigvuldigen met de taakomvang.
  9. De bindingstoelage indien men daar recht op heeft. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt deze vermenigvuldigd met de taakomvang.

Bovenstaande opsomming leidt tot de grootheid brutosalaris plus via de berekening: brutosalaris + uitlooptoeslag – korting seniorenregeling + directietoelage + schaaluitloopbedrag + vakantie-uitkering + eindejaarsuitkering + eenmalige uitkeringen + inkomenstoelage + bindingstoelage.

Het brutosalaris plus is de basis voor de meeste berekeningen ten behoeve van de werkgeverslasten. Allereerst komen pensioenpremies aan bod. Daarvoor worden de volgende grootheden berekend.

  1. De grondslag pensioen, het gemaximeerde voltijdsinkomen dat als basis dient voor pensioenpremies. Daarvoor wordt (brutosalaris plus + korting seniorenregeling) gedeeld door de taakomvang en vervolgens gemaximeerd op de aftoppingsgrens.
  2. De werkgeverspremie ouderdomspensioen (hierna: werkgeverspremie OP) die berekend wordt door de grondslag pensioen te verlagen met de franchise voor het ouderdomspensioen en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de taakomvang en het relevante premiepercentage.
  3. De werknemerspremie OP waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage. Deze premie telt niet direct mee voor de bepaling van de werkgeverslasten, maar wel indirect via de grondslag voor werknemersverzekeringen (zie onder).
  4. De grondslag voor ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen, VUT, prepensioen en levensloop (hierna: grondslag AAOP en VPL) berekend als grondslag pensioen plus de levensloopbijdrage (zie hieronder).
  5. De werkgeverspremie ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen (hierna: werkgeverspremie AAOP) die berekend wordt door de grondslag AAOP en VPL te verlagen met de franchise voor AAOP en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de taakomvang en het relevante premiepercentage.
  6. De werknemerspremie AAOP waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage. Deze premie telt niet direct mee voor de bepaling van de werkgeverslasten, maar wel indirect via de grondslag voor werknemersverzekeringen (zie onder).
  7. De werkgeverspremie VPL die wordt berekend door de grondslag AAOP en VPL te vermenigvuldigen met de taakomvang en het relevante premiepercentage.

Voor de premies voor werknemersverzekeringen worden de volgende grootheden berekend.

  1. De grondslag werknemersverzekeringen wordt berekend door de optelling van brutosalarisplus, korting seniorenregeling en de levensloopbijdrage, verminderd met de werknemerspremies OP en AAOP.
  2. De premie WIA, die wordt berekend door het relevante premiepercentage te vermenigvuldigen met de grondslag werknemersverzekeringen, die wordt gemaximeerd op de premiegrens werknemersverzekeringen.
  3. De premie WGA gedifferentieerd, waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage.
  4. De premie UFO, waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage.
  5. De premie ZVW, die wordt berekend door het relevante premiepercentage te vermenigvuldigen met de grondslag werknemersverzekeringen, die wordt gemaximeerd op de premiegrens ZVW.

De overige werkgeverslasten worden als volgt berekend.

  1. De grondslag voor vervangingsfonds en participatiefonds (hierna: grondslag VF en PF) is gelijk aan het brutosalaris plus de vakantie-uitkering.
  2. De premie VF is gelijk aan het relevante premiepercentage vermenigvuldigd met de grondslag VF en PF.
  3. De premie PF is gelijk aan het relevante premiepercentage vermenigvuldigd met de grondslag VF en PF.
  4. De levensloopbijdrage wordt berekend door het relevante percentage te vermenigvuldigen met de optelling van brutosalaris, uitlooptoeslag en schaaluitloopbedrag.

Loonkosten kalenderjaar

De loonkosten op kalenderjaarbasis worden berekend door het met werkgeverslasten verhoogde brutoloon te wegen met de maanden dat men werkzaam was gedurende het onderhavige kalenderjaar. Uitstroom naar stille reserve telt voor 10 maanden mee, omdat men gemiddeld na 10 maanden uitstroomt. Uitstroom naar pensioen en overlijden tellen we voor de helft van het jaar mee omdat dit gespreid over het jaar plaatsvindt. Instroom van directeuren worden voor 5,2 maanden meegeteld en instroom van leraren voor 4 maanden, beide gebaseerd op gemiddelde instroomprofielen. Taken die gedurende het hele jaar aanwezig zijn worden voor 12 maanden meegeteld. Na weging kunnen de totale loonkosten op kalenderjaarbasis bepaald worden.

Technieken

Deze pagina's beschrijven een aantal technieken die in Mirror gebruikt worden. Het gaat daarbij om:

  • Kansen: een kans geeft aan hoe waarschijnlijk het is dat iets gaat gebeuren;
  • Vergelijkingen: dit zijn wiskundige beschrijvingen van relaties die bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden om kansen uit te rekenen;
  • Overgangstabellen: deze tabellen geven historische kansen op overgangen.

In de detailpagina's gaan we dieper in op deze onderwerpen.

Kansen

In Mirror worden vaak kansen gebruikt, bijvoorbeeld de kans om uit te stromen, de kans om meer te gaan werken, de kans om minder te gaan werken, et cetera. Deze kansen zijn vaak afkomstig van vergelijkingen zoals van het type logit of ordered logit. Stel dat de kans om uit te stromen voor een bepaald persoon 60% is. Stroomt deze persoon dan uit of niet? Om dit te bepalen wordt een willekeurig getal tussen 0 en 1 getrokken. Indien dit getal kleiner is dan 0,6 (=60% kans), dan is de uitkomst "ja", anders "nee". Stel dat bijvoorbeeld het getal 0,32 wordt getrokken, dan wordt besloten dat deze persoon in dit geval uitstroomt.

Omdat gemiddeld gesproken 60% van de willekeurig getrokken getallen onder het getal 0,6 valt, zal, indien de simulatie vaak herhaald wordt, de persoon in 60% van de gevallen uitstromen en in 40% van de gevallen niet. Na middelen over de herhaalde simulaties komt zo een gemiddeld patroon tevoorschijn. Mirror werkt daarom ook altijd met gemiddelden van meerdere herhalingen van de simulatie van de onderwijsarbeidsmarkt.

Het kansmechanisme kan ook algemener geformuleerd worden met behulp van de cumulatieve verdeling. Dit maakt het mogelijk ook uit meer dan 2 alternatieven te selecteren. In het bovenstaande voorbeeld is de cumulatieve verdeling [0,6, 1]. Het interval tussen 0 en 0,6 associëren we met "ja", het interval tussen 0,6 en 1 met "nee". Na het trekken van een willekeurig getal lopen we van links naar rechts door de verdeling en stoppen indien we een getal tegenkomen dat groter is. In het geval dat we 0,32 hadden getrokken, stoppen we direct bij het tegenkomen van het getal 0,6 en besluiten dus tot "ja".

Dit kan ook met meer alternatieven. Stel dat de kansen van instromende leraren op de schalen LB, LC en LD respectievelijk 79%. 17% en 4% zijn. De verdeling wordt dan [0,79, 0,79+0,17=0,96, 1]. Indien we willekeurig het getal 0,84 trekken, ligt dit dus in het interval tussen 0,79 en 0,96 dat we associëren met schaal LC. In dit geval wordt dus schaal LC getrokken. Dit mechanisme wordt in Mirror gebruikt bij vergelijkingen van het type ordered logit en multinomial logit en bij overgangsmatrices.

Vergelijkingen

Vergelijkingen kunnen gebruikt worden om grootheden of kansen uit te rekenen. Vergelijkingen zijn gebaseerd op historische data en vatten deze als het ware samen. In iedere vergelijking wordt rekening gehouden met een groot aantal factoren, zoals de leeftijd en het geslacht van een persoon, de inschaling, de taakomvang, et cetera. Mirror werkt met drie typen van vergelijkingen:

  1. lineair: berekent een grootheid, bijvoorbeeld de omvang van een deeltijdtaak in fte;
  2. logit: deze vergelijking geeft als uitkomst een kans;
  3. ordered logit: met deze vergelijking kan een keuze gemaakt worden uit een aantal geordende alternatieven;
  4. multinomial logit: deze vergelijking maakt een keuze uit een aantal niet-geordende alternatieven.

Hieronder gaan we in meer detail in op deze typen van vergelijkingen.

Lineair

De vergelijking van het type lineair wordt altijd opgebouwd uit een constante term en een groot aantal factoren die corrigeren voor specifieke kernmerken van de persoon, de taak, de school waar de taak aan verbonden is, de regio, et cetera. Iedere factor heeft een bepaalde bijdrage die berekend wordt aan de hand van historische data door middel van econometrische schattingstechnieken. Dit heet "het schatten van het model". Een voorbeeld is de vergelijking die de omvang van de taakvergroting aangeeft voor leraren die geen taakverlies hebben ondergaan. Daarin zitten bijvoorbeeld de regio, (hogere machten van) de leeftijd, het schooltype, de denominatie van de school en het vak dat een persoon geeft.

Deze vergelijking bevat ook een term voor de standaardfout. Deze geeft een maat voor de afwijkingen in de data ten opzichte van de vergelijking en wordt gebruikt om variatie te genereren in de simulaties, zoals deze ook geobserveerd is in de data. Dit betekent dat indien deze vergelijking twee keer wordt uitgerekend voor dezelfde persoon in dezelfde situatie, de vergelijking toch een licht verschillend resultaat teruggeeft.

Logit

Een vergelijking van het type logit heeft in de kern ook een vergelijking van het type lineair. Echter, de grootheid die uit die vergelijking komt, wordt met een kansfunctie vertaald naar een kans op een gebeurtenis. Bij het schatten van het model wordt hiermee uiteraard rekening gehouden. Een kans zit altijd tussen 0% en 100%. Op de pagina Kansen kunt u meer lezen over hoe met kansen wordt omgegaan.

Ordered logit

Dit type vergelijkingen wordt gebruikt om een keuze te maken uit verschillende alternatieven die logisch geordend zijn, bijvoorbeeld een vergelijking voor het geheel aantal dagen per week dat men werkt: 1, 2, 3, 4 of 5. Dit type vergelijking heeft ook een lineaire kern, maar daarnaast wordt bij het schattingsproces een aantal grenswaarden berekend. Na omzetting naar kansen op dezelfde manier als bij logit, geven deze grenswaarden tezamen met het lineaire deel kansen op ieder mogelijk alternatief. De kansen kunnen bijvoorbeeld 10%, 30%, 20%, 15% en 25% worden. Het tweede alternatief (2 hele dagen werk) heeft daarmee de grootste kans. Meer details over kansen kunt u vinden op pagina Kansen.

Multinomial logit

Dit type vergelijkingen wordt gebruikt om een keuze te maken uit alternatieven die niet geordend zijn. Zo wordt bijvoorbeeld het voorkeursschooltype bepaald van iemand die een school verlaat (taakverlies). De keuze werkt op een vergelijkbare manier als ordered logit: voor alle alternatieven worden kansen bepaald afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals het schooltype waar de persoon vertrekt. Vervolgens wordt met behulp van de kansverdeling een keuze gemaakt.

Overgangstabellen

Overgangstabellen zijn in principe simpele ordered logit vergelijkingen. In deze tabellen staan kansen voor bepaalde overgangen. Zo kan een tabel bijvoorbeeld definiëren dat een 30-jarige 30% kans heeft om LA te krijgen, 60% kans op LB en 10% kans op LC. Door meerdere overgangstabellen te gebruiken, kan rekening worden gehouden met achtergrondkenmerken. Zo zijn er overgangstabellen die de kansen op schalen definiëren voor iedere functie en ieder schooltype aangezien de inschaling historisch per schooltype verschillend is.

In Mirror zijn de volgende typen overgangstabellen opgenomen:

  • leeftijd & geslacht: met deze tabel wordt op basis van de historische verdeling een leeftijd en geslacht voor een instromend individu bepaald;
  • instroom schaal: afhankelijk van de leeftijdscategorie worden kansen op een specifieke schaal gegeven;
  • instroom periodiek: voor iedere schaal die onder "instroom schaal" mogelijk is, is een verdeling over periodieken beschikbaar afhankelijk van de leeftijdscategorie om de inschaling geheel te kunnen bepalen;
  • regionale instroom: voor instroom vanuit de stille reserve wordt een voorkeursregio bepaald op basis van historische kansen afhankelijk van de regio van uitstroom naar de stille reserve
  • taakverlies met regionale mobiliteit: indien bepaald is dat een persoon regionaal mobiel is, wordt met deze tabel een regio van bestemming getrokken, afhankelijk van de regio van oorsprong.
  • functiewijziging: deze tabel wordt gebruikt om de inschaling te bepalen van iemand die van functie wijzigt.
  • vak & graad: met deze tabel wordt een vak en graad toegewezen aan afstudeerders van de lerarenopleiding voor het vo.

Alle kansen in de tabellen zijn gebaseerd op historische gegevens.

Publicaties

Hieronder treft u een overzicht aan van openbare publicaties die met behulp van Mirror tot stand zijn gekomen of dienen als input voor de arbeidsmarktramingen met Mirror.

Publicatie Onderwerp Datum Medium
De toekomstige arbeidsmarkt voor onderwijspersoneel po, vo en mbo 2019-2029 Arbeidsmarktraming met startjaar 2018 december 2019 rijksoverheid.nl
Regionale arbeidsmarktramingen voor leraren Arbeidsmarktramingen voor het primair en voortgezet onderwijs op basis van raming startjaar 2018 voor de arbeidsmarktregio's en 5 grote steden afzonderlijk december 2019 rijksoverheid.nl: po, vo
IPTO: bevoegdheden en vakken in het vo Onderzoek naar de vakken die docenten in het voorgezet onderwijs geven en of dit bevoegd gebeurd. Deze informatie is input voor de vakkenmodule in de arbeidsmarktramingen. december 2019 rijksoverheid.nl
Loopbaanmonitor 2019 Onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van net afgestudeerde leraren. Deze informatie vormt input voor het bepalen van het aanbod van leraren in de arbeidsmarktramingen. november 2019 rijksoverheid.nl

 

Publicatie Onderwerp Datum Medium
Historische gegevens arbeidsmarkt primair onderwijs Historische arbeidsmarktgegevens die ten grondslag liggen aan de arbeidsmarktramingen, primair onderwijs november 2017 rijksoverheid.nl
Historische gegevens arbeidsmarkt voortgezet onderwijs Historische arbeidsmarktgegevens die ten grondslag liggen aan de arbeidsmarktramingen, voorgezet onderwijs november 2017 rijksoverheid.nl
Historische gegevens arbeidsmarkt middelbaar beroepsonderwijs Historische arbeidsmarktgegevens die ten grondslag liggen aan de arbeidsmarktramingen, middelbaar beroepsonderwijs november 2017 rijksoverheid.nl
Anders organiseren van onderwijs Rapport van CAOP met doorrekeningen met behulp van Mirror oktober 2017 rijksoverheid.nl
Uitkomsten scenario's po met Mirror Scenario's ten behoeve van het terugdringen van het lerarentekort in het primair onderwijs 1 november 2016 rijksoverheid.nl
Toekomstige lerarentekorten in het voortgezet onderwijs ESB-artikel over lerarentekorten in het voorgezet onderwijs 18 december 2014 esb.nl

 

Regionale ramingen

Op deze pagina worden de meest recente regionale arbeidsmarktramingen gepubliceerd. De regionale ramingen worden gemaakt op het niveau van arbeidsmarktregio's. Daarbij wordt steeds een aantal arbeidsmarktregio's gecombineerd in een rapport. De indeling en de rapporten voor zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs kunt u hieronder vinden. De rapporten worden tevens gepubliceerd op de website van het ministerie van OCW (po, vo).

Regio Rapporten Arbeidsmarktregio's
Groningen po vo 1 Groningen
Friesland po vo 2 Friesland
Drenthe/Overijssel po vo 3 Drenthe
4 Regio Zwolle
5 Twente
Noord-Holland po vo 6 Noord-Holland-Noord
7 Zaanstreek/Waterland
8 Zuid-Kennemerland en IJmond
9 Groot Amsterdam
10 Gooi en Vechtstreek
11 Amsterdam
Flevoland po vo 12 Flevoland
13 Almere
Gelderland-Noord po vo 14 Stedendriehoek en Noordwest-Veluwe
15 FoodValley
Utrecht po vo 16 Amersfoort
17 Midden-Utrecht
18 Stad Utrecht
Zuid-Holland-Noord po vo 19 Holland Rijnland
20 Zuid-Holland Centraal
21 Haaglanden
22 Midden-Holland
23 's-Gravenhage
Zuid-Holland-Zuid po vo 24 Rijnmond
25 Drechtsteden
26 Gorinchem
27 Rotterdam
Gelderland-Zuid po vo 28 Rivierenland
29 Rijk van Nijmegen
30 Midden-Gelderland
31 Achterhoek
Zeeland po vo 32 Zeeland
Noord-Brabant-West po vo 33 West-Brabant
34 Midden-Brabant
Noord-Brabant-Oost po vo 35 Noordoost-Brabant
36 Zuidoost-Brabant
37 Helmond-De Peel
Limburg po vo 38 Noord-Limburg
39 Midden-Limburg
40 Zuid-Limburg

 

Historie

Hieronder vindt u een overzicht van de aanpassingen in Mirror voor de verschillende ramingen. Een ramingsjaartal geeft hierbij het jaar van de meest recent gebruikte gegevens in die raming, peildatum 1 oktober. Het kost altijd wat tijd voor DUO om de gegevens te verzamelen, verwerken en bewerken en voor CentERdata om er vervolgens ramingen mee te maken. Daarom loopt het ramingsjaartal in het algemeen één tot twee jaar achter op het jaar waarin een rapport verschijnt. De opsomming hieronder betreft sec de aanpassingen in Mirror. Uiteraard wordt bij iedere raming de gehele dataset bijgewerkt.

  • 2 jaar extra salarisgegevens ten opzichte van de voorgaande raming.
  • Herschatting van alle parameters in het model.
  • Ramingen van leerlingen, afgestudeerden en conjunctuur zijn bijgesteld.
  • Bijgesteld verloop van de AOW-leeftijd op grond van de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd.
  • Update van cao's en andere kostenbepalende parameters.
  • Vakgegevens tot en met IPTO 2018.
  • Bijgestelde conjunctuurscenario's.
  • Herschatting van alle parameters in het model.
  • Ramingen van leerlingen, afgestudeerden en conjunctuur zijn bijgesteld.
  • Update van cao's en andere kostenbepalende parameters.
  • Vakgegevens tot en met IPTO 2017.
  • Alle modellen in Mirror zijn herschat aan de hand van de meest recente gegevens.
  • Ramingen van leerlingen, afgestudeerden en conjunctuur zijn bijgesteld.
  • Verbetering raming werkgelegenheid in het mbo.
  • Update IPTO vakgegevens met behulp van IPTO 2015.
  • Alle modellen in Mirror zijn herschat.
  • Brongegevens zoals sterftekansen en arbeidsongeschiktheidskansen zijn gebaseerd op voorspellingen van het CBS.
  • Verbetering van de match tussen vraag en aanbod van personen.
  • Update van leerlingenramingen en ramingen van afgestudeerden van de lerarenopleidingen.
  • De werkgelegenheid wordt niet langer bepaald door alleen de leerlingenprognose en een vaste schoolspecifieke leerling-fteratio. Er wordt nu ook een vaste voet meegenomen, wat met name relevant is voor (zeer) kleine scholen in het po.
  • Maatwerkafspraken ten aanzien van de functiemix in het vo per 5 juni 2015 zijn meegenomen.
  • De oploop van de AOW-leeftijd is bijgesteld naar aanleiding van het kabinetsbesluit in juni 2015.
  • Vakken worden nu volledig gemodelleerd in Mirror tot op een (geaggregeerd) niveau van 20 vakken. Dit betekent ook dat de methode om een passende school te zoeken is aangepast.
  • Hierbij wordt ook gesimuleerd dat personen in een hogere graadsector gaan werken vanwege het behalen van een masterdiploma.
  • Het benodigd aantal leraren wordt vastgesteld aan de hand van de vacatures onder leraren in het startjaar plus de werkzame leraren in het startjaar exclusief LIO. Voorheen werd het aantal fte LIO meegeteld om de werkgelegenheid te bepalen.
  • De BAPO-regeling is vervangen door de seniorenregeling inclusief overgangsrechten.
  • Het ramingsmodel is aanzienlijk versneld en maakt nu gebruik van meerdere processoren of processorkernen (indien aanwezig) in het geval dat een raming uit meerdere simulaties bestaat. De versnelling bedraagt een factor 3 tot 4 op een pc met 4 processorkernen.
  • Ramingen naar vak zijn mogelijk gemaakt. Dit deel gebruikt momenteel nog wat aannames, bijvoorbeeld bij het bepalen van de te geven vakken bij instroom. Dit wordt de komende tijd verder verfijnd en gebaseerd op historische gegevens.
  • In de raming 2010 is het mogelijk gemaakt dat men in meer dan één taak instroomt in het onderwijs. Dit komt in de praktijk niet heel veel voor, maar heeft wel een (beperkte) invloed, met name daar waar veel kleine taken voorkomen.
  • In verband met beperking van het opsparen van BAPO rechten is de bepaling van de omvang van de BAPO aangepast.
  • Er is een aantal verbeteringen doorgevoerd in de regionale component van Mirror. Zo wordt beter onderscheid gemaakt tussen naastliggende regio's en overige regio's.
  • Er wordt beter rekening gehouden met het feit dat de taakomvang niet continu verdeeld is, maar pieken vertoont bij een geheel aantal halve (en hele) dagen.

Contact

Mirror en Mirrorpedia zijn ontwikkeld door CentERdata in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Voor vragen of meer informatie omtrent Mirror, kunt u contact opnemen met Hendri Adriaens of Peter Fontein.

Cookiebeleid

Een cookie is een klein tekstbestandje dat bij het eerste bezoek aan deze website wordt meegestuurd en door uw browser op de harde schijf van uw apparaat wordt opgeslagen. CentERdata maakt gebruik van de volgende cookie: een functionele cookie die noodzakelijk is voor de technische werking van de website en het gebruiksgemak van de bezoeker. Deze cookie zorgt ervoor dat de website naar behoren werkt en bepaalde voorkeurinstellingen worden onthouden.

In onderstaande tabel staat de informatie over de cookie die wordt opgeslagen. U kunt de cookie weer verwijderen via uw browserinstellingen. Daar kunt u ook instellen welke soort cookies op uw computer geplaatst worden.

Soort/doel Type/naam Verloopt na Geplaatst door
functioneel has_js sessie mirrorpedia.nl