Uitstroom

Uitstroom is in Mirror gedefinieerd als de situatie waarin een persoon al zijn of haar taken in de sector verliest. In alle andere gevallen waarin sprake is van het verlies van een taak, maar men toch in de sector werkzaam blijft wordt dit gedefinieerd als taakverlies in Mirror.

Het uitstroomproces zoals dat in Mirror wordt gemodelleerd is in de volgende figuur weergegeven.

Voor de uitstroom wordt een aantal mogelijkheden onderscheiden, dit zijn:

  1. uitstroom ten gevolge van het bereiken van de AOW-leeftijd
  2. overige uitstroom

Dit onderscheid wordt gemaakt omdat aan de eerste stroom geen toevalsproces ten grondslag ligt. De AOW-leeftijd ligt vast. Als men de AOW-leeftijd bereikt, dan stroomt men uit.

De kans op overige uitstroom is gebaseerd op een logitvergelijking. Deze wordt apart geschat voor de groep tot en met 59 jaar en de groep van 60 jaar en ouder. Deze opsplitsing wordt gehanteerd omdat ouderen de meeste kans op uitstroom hebben en zo een betere fit kan worden verkregen van de modelvergelijkingen op de in de praktijk waargenomen uitstroom. Wordt van iemand vastgesteld dat deze persoon tot de overige uitstroom behoort, dan wordt deze uitstroom onderverdeeld naar de volgende categorieën:

  1. uitstroom naar arbeidsongeschiktheid
  2. overlijden
  3. uitstroom naar stille reserve

De kans op overlijden is ontleend de prognose van sterfte van het CBS naar geslacht en leeftijd, gecorrigeerd met in het verleden door het ministerie van Binnenlandse Zaken aangeleverde cijfers van het ABP. Deze correctie is nodig omdat het de cijfers van het CBS alle personen betreffen, ook niet-onderwijspersoneel en niet-werkenden, en in Mirror juist alleen werkend onderwijspersoneel wordt gesimuleerd. Het is bekend dat deze groep een kleinere overlijdenskans heeft vergeleken met de gehele bevolking. De laatste cijfers mogen niet meer aangeleverd worden en zijn recent dus niet van een update voorzien.

De kans op uitstroom naar arbeidsongeschiktheid is ontleend aan cijfers van stamos (po, vo, mbo). Personen die deels arbeidsongeschikt raken en daardoor minder gaan werken kunnen niet zuiver afzonderlijk worden geobserveerd in de data en komen daardoor bij taakverkleining terecht. Uitstroom naar arbeidsongeschiktheid betreft daarom altijd volledige arbeidsongeschiktheid.

De kans op uitstroom naar de stille reserve is een restpost. Deze wordt bepaald uit de kans op overige uitstroom minus de kansen op arbeidsongeschiktheid en overlijden.

Personen die uitstromen naar de stille reserve worden toegevoegd aan het bestand met de stille reserve. Deze personen kunnen in een later simulatiejaar mogelijk weer instromen. De overige onderdelen van de uitstroom (overlijden, arbeidsongeschiktheid) zijn niet meer beschikbaar voor de onderwijsarbeidsmarkt, net als degenen die uitstromen in verband met uitstroom ten gevolge van het bereiken van de AOW-leeftijd.