Werkgeverslasten

In Mirror worden op basis van het brutosalaris van een taak de loonkosten voor de werkgever bepaald. Dit gebeurt op kalenderjaarbasis. In de bepaling spelen diverse premiepercentages en andere financiële grootheden een rol. Deze grootheden kunnen van jaar op jaar verschillend zijn (neem bijvoorbeeld de eenmalige uitkeringen en de pensioenpremies). De werkgeverslasten van een taak worden bepaald door de volgende grootheden te berekenen:

  1. Brutosalaris
  2. Uitkeringen en toelagen, zoals bijvoorbeeld de vakantie-uitkering en de inkomenstoelage om te komen tot het brutosalaris plus
  3. Pensioenpremies
  4. Premies voor werknemersverzekeringen
  5. Overige werkgeverslasten, zoals het vervangingsfonds en de levensloopbijdrage

De totale werkgeverslasten van een taak worden vervolgens berekend als optelling van het brutosalaris plus, de werkgeverspremies voor pensioen en werknemersverzekeringen en de overige werkgeverslasten. Bovenstaande onderdelen komen in de volgende secties in detail aan bod.

Het brutosalaris komt als volgt tot stand.

  1. Eerst worden het aantal fte, en het aantal fte exclusief de korting bij gebruik van de seniorenregeling (hierna: fte exclusief seniorenregeling) bepaald. De laatste grootheid wordt berekend als het aantal fte minus het aantal fte seniorenregeling vermenigvuldigd met het relevante kortingspercentage.
  2. Vervolgens kan het brutosalaris bepaald worden op basis van de inschaling (schaal en periodiek) gedurende het kalenderjaar en de taakomvang. Merk op dat de inschaling per september van het kalenderjaar kan veranderen. Hiermee wordt rekening gehouden in Mirror.

De volgende componenten spelen een rol bij het bepalen van het brutosalaris plus.

  1. De uitlooptoeslag, indien men daar recht op heeft. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt deze vermenigvuldigd met de taakomvang.
  2. De korting bij gebruik van de seniorenregeling (hierna: korting seniorenregeling), namelijk het deel van de kosten van de seniorenregeling dat de werknemer zelf moet bijdragen. Dit wordt berekend als: omvang seniorenregeling (in fte) vermenigvuldigd met het relevante kortingspercentage en vermenigvuldigd met de som van het brutosalaris en de uitlooptoeslag.
  3. De directietoelage. Directeuren in het primair onderwijs in schaal DA tot en met DC ontvangen een toelage. Deze wordt berekend als het fte exclusief seniorenregeling vermenigvuldigd met het relevante bedrag.
  4. Het schaaluitloopbedrag, indien men daar recht op heeft. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt deze vermenigvuldigd met de taakomvang. Voor het primair onderwijs geldt een korting bij gebruik van de seniorenregeling. Voor het primair onderwijs wordt vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering uitgekeerd over het schaaluitloopbedrag, in andere sectoren niet.
  5. De vakantie-uitkering bedraagt 8% van (brutosalaris + uitlooptoeslag - korting seniorenregeling). Er wordt rekening gehouden met de minimum vakantie-uitkering.
  6. De eindejaarsuitkering wordt berekend als een percentage van (brutosalaris + uitlooptoeslag – korting seniorenregeling).
  7. Eenmalige uitkeringen kunnen nominaal van aard zijn of een percentage over diverse loonbestanddelen. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt het resulterende bedrag vermenigvuldigd met de taakomvang.
  8. De inkomenstoelage, indien nog van toepassing, wordt berekend door het bedrag te vermenigvuldigen met de taakomvang.
  9. De bindingstoelage indien men daar recht op heeft. Is men in deeltijd werkzaam dan wordt deze vermenigvuldigd met de taakomvang.

Bovenstaande opsomming leidt tot de grootheid brutosalaris plus via de berekening: brutosalaris + uitlooptoeslag – korting seniorenregeling + directietoelage + schaaluitloopbedrag + vakantie-uitkering + eindejaarsuitkering + eenmalige uitkeringen + inkomenstoelage + bindingstoelage.

Het brutosalaris plus is de basis voor de meeste berekeningen ten behoeve van de werkgeverslasten. Allereerst komen pensioenpremies aan bod. Daarvoor worden de volgende grootheden berekend.

  1. De grondslag pensioen, het gemaximeerde voltijdsinkomen dat als basis dient voor pensioenpremies. Daarvoor wordt (brutosalaris plus + korting seniorenregeling) gedeeld door de taakomvang en vervolgens gemaximeerd op de aftoppingsgrens.
  2. De werkgeverspremie ouderdomspensioen (hierna: werkgeverspremie OP) die berekend wordt door de grondslag pensioen te verlagen met de franchise voor het ouderdomspensioen en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de taakomvang en het relevante premiepercentage.
  3. De werknemerspremie OP waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage. Deze premie telt niet direct mee voor de bepaling van de werkgeverslasten, maar wel indirect via de grondslag voor werknemersverzekeringen (zie onder).
  4. De grondslag voor ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen, VUT, prepensioen en levensloop (hierna: grondslag AAOP en VPL) berekend als grondslag pensioen plus de levensloopbijdrage (zie hieronder).
  5. De werkgeverspremie ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen (hierna: werkgeverspremie AAOP) die berekend wordt door de grondslag AAOP en VPL te verlagen met de franchise voor AAOP en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de taakomvang en het relevante premiepercentage.
  6. De werknemerspremie AAOP waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage. Deze premie telt niet direct mee voor de bepaling van de werkgeverslasten, maar wel indirect via de grondslag voor werknemersverzekeringen (zie onder).
  7. De werkgeverspremie VPL die wordt berekend door de grondslag AAOP en VPL te vermenigvuldigen met de taakomvang en het relevante premiepercentage.

Voor de premies voor werknemersverzekeringen worden de volgende grootheden berekend.

  1. De grondslag werknemersverzekeringen wordt berekend door de optelling van brutosalarisplus, korting seniorenregeling en de levensloopbijdrage, verminderd met de werknemerspremies OP en AAOP.
  2. De premie WIA, die wordt berekend door het relevante premiepercentage te vermenigvuldigen met de grondslag werknemersverzekeringen, die wordt gemaximeerd op de premiegrens werknemersverzekeringen.
  3. De premie WGA gedifferentieerd, waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage.
  4. De premie UFO, waarbij de voorgaande berekening wordt gehanteerd, maar met het hiervoor relevante premiepercentage.
  5. De premie ZVW, die wordt berekend door het relevante premiepercentage te vermenigvuldigen met de grondslag werknemersverzekeringen, die wordt gemaximeerd op de premiegrens ZVW.

De overige werkgeverslasten worden als volgt berekend.

  1. De grondslag voor vervangingsfonds en participatiefonds (hierna: grondslag VF en PF) is gelijk aan het brutosalaris plus de vakantie-uitkering.
  2. De premie VF is gelijk aan het relevante premiepercentage vermenigvuldigd met de grondslag VF en PF.
  3. De premie PF is gelijk aan het relevante premiepercentage vermenigvuldigd met de grondslag VF en PF.
  4. De levensloopbijdrage wordt berekend door het relevante percentage te vermenigvuldigen met de optelling van brutosalaris, uitlooptoeslag en schaaluitloopbedrag.